zelfredzaam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·red·zaam
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zelfredzaam zelfredzamer zelfredzaamst
verbogen zelfredzame zelfredzamere zelfredzaamste
partitief zelfredzaams zelfredzamers -

Bijvoeglijk naamwoord

zelfredzaam

  1. van een persoon dat hij of zij in staat is zichzelf te verzorgen zonder hulp van buiten
    • Inwoners van het aardbevingsgebied in Groningen gaan dit najaar samen met hulpdiensten drie dagen lang een zware aardschok simuleren. De levensechte oefening moet onder meer duidelijk maken hoe zelfredzaam inwoners zijn. Dat meldt het Dagblad van het Noorden. [1] 
    • Den Haag regelt snel woonruimte en financiële hulp voor mensen die dakloos zijn geraakt door geldproblemen, maar die wel zelfredzaam zijn en geen verslavings- of psychiatrische problemen hebben. [2] 
    • De problemen gelden des te meer voor ‘mensen die door omstandigheden minder zelfredzaam zijn’. ,,Van hen kan niet altijd worden verwacht dat zij alle digitale kanalen van overheidsorganen in de gaten houden en de weg kunnen vinden in de digitale uitvoering van regels. [3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.

Verwijzingen