zelfkritisch

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zelf·kri·tisch
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen zelfkritisch zelfkritischer
verbogen zelfkritische zelfkritischere
partitief zelfkritisch zelfkritischers -

Bijvoeglijk naamwoord

zelfkritisch

  1. zichzelf beoordelend, meestal gericht op dat wat verbeterd zou moeten worden
Verwante begrippen
Vertalingen