doordringen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

doordríngen
dóórdringen
Woordafbreking
  • door·drin·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doordringen
dorˈdrɪŋə(n)
doordrong
dorˈdrɔŋ
doordrongen
dorˈdrɔŋə(n)
klasse 3 volledig

Werkwoord

(niet scheidbaar)
doordríngen

  1. overgankelijk iemand tot op de grond overtuigen van iets.
    • Ik doordróng hen van de noodzaak ervan. 


stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doordringen
ˈdordrɪŋə(n)
drong door
drɔŋ ˈdor
doorgedrongen
ˈdorɣəˌdrɔŋə(n)
klasse 3 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
dóórdringen

  1. ergatief weten ergens binnen te komen.
    • Hij drong dóór tot in het hart van het fort. 
  2. helemaal duidelijk worden
    • Eindelijk drong het tot hem door dat hij een fout had gemaakt. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.