doorzetten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Jump to search

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·zet·ten
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

doorzetten

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorzetten
zette door
doorgezet
zwak -t volledig
  1. volhouden, niet ophouden
    • Ondanks het slechte weer zette de fietser de zware tocht door. 
  2. erger worden
    • Ik dacht ziek te worden, maar het zette gelukkig niet door. 
Antoniemen

Werkwoord

vervoeging van
doorzetten

doorzetten

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van doorzetten
    • ...dat wij doorzetten. 
    • ...dat jullie doorzetten. 
    • ...dat zij doorzetten. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.