doorsteek
Uiterlijk
- door·steek
- samenstelling van door en steek [1]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | doorsteek | doorsteken |
| verkleinwoord | doorsteekje | doorsteekjes |
de doorsteek m
- plaats waar een dijk doorgestoken is
- kortste weg bij weg of rivier
| vervoeging van |
|---|
| doorsteken |
doorsteek
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorsteken
- Ik doorsteek.
- gebiedende wijs van doorsteken
- Doorsteek!
- (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorsteken
- Doorsteek je?
| vervoeging van |
|---|
| doorsteken |
doorsteek
- (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorsteken
- ... dat ik doorsteek.
- Het woord doorsteek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "doorsteek" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be