deur

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

deur
Uitspraak
Woordafbreking
  • deur
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord deurtje deurtjes

Zelfstandig naamwoord

deur v/m

  1. (bouwkunde) een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
    • De deur werd met een koevoet uit zijn sponningen gelicht. 
     Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.[4]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • bij iemand de deur plat lopen
heel vaak bij iemand op bezoek komen
  • Dat doet de deur dicht.
dat kan ik niet accepteren, dat is het einde
  • een open deur intrappen
een wel heel vanzelfsprekende stelling met veel klem zeggen
  • iemand aan de deur zetten
iemand ontslaan
  • iemand de deur wijzen
iemand weg sturen
  • met de deur in huis vallen
direct het belangrijkste vertellen
  • niet met iemand door één deur kunnen
niet met iemand kunnen samenwerken, ruzie met iemand hebben
  • voor de rode deur moeten gaan
voor de rechter moeten verschijnen
  • zo gek als een deur
heel erg gek zijn
  • een stok achter de deur houden
iets als dreigement gebruiken
  • iets de deur uit doen
iets weggooien
  • iemand het gat van de deur wijzen
iemand wegsturen
  • iemand achter de deur zetten
ongenode gasten niet binnen laten
  • voor de deur staan
iets kan binnenkort beginnen
  • dat is niet naast de deur
dat is erg ver weg
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak

Voorzetsel

deur

  1. door


Drents

Voorzetsel

deur

  1. door
enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deur

  1. (bouwkunde) deur; een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Schrijfwijzen


Gronings

enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deur

  1. (bouwkunde) deur; een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Schrijfwijzen


Nedersaksisch

Voorzetsel

deur

  1. door
Woordherkomst en -opbouw
  • Van het Oudsaksische duru
enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deur

  1. (bouwkunde) deur; een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen

Meer informatie


Sallands

Voorzetsel

deur

  1. door
enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deur

  1. (bouwkunde) deur; een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Schrijfwijzen


Twents

enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deur

  1. (bouwkunde) deur; een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Schrijfwijzen


Veluws

Voorzetsel

deur

  1. door
enkelvoud meervoud
naamwoord deur deuren
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

deur

  1. (bouwkunde) deur; een afsluiting van een toegang tot een ruimte, gemaakt van hout, metaal of kunststof
Schrijfwijzen

Meer informatie


West-Vlaams

Voorzetsel

deur

  1. door