doorhebben

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·heb·ben
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorhebben
had door
doorgehad
onregelmatig volledig

Werkwoord

doorhebben

  1. absoluut begrijpen hoe iets is, een raadsel oplossen
    • Het dier had niet door hoe het uit de kooi ontsnappen kon. 
  2. absoluut een ander z'n plannen doorgronden
    • Zij probeerde hem om de tuin te leiden, maar hij had haar door. 


Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.