doordeweeks

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·de·weeks
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen doordeweeks doordeweekser doordeweekst
verbogen doordeweekse doordeweeksere doordeweekste
partitief doordeweeks doordeweeksers -

Bijvoeglijk naamwoord

doordeweeks

  1. op een dag die in de werkweek valt: maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag
    • Op doordeweekse dagen is het hier altijd erg druk, maar niet op zaterdag en zondag. 
    • ‘s Lands grootste doordeweekse wielertoertocht werd onder prima weersomstandigheden verreden, al stelde de stevige bries de conditie van menig deelnemer behoorlijk op de proef. [1] 
Antoniemen
Hyponiemen

Bijwoord

doordeweeks

  1. op doordeweekse dagen
    • Hij eet doordeweeks meestal heel slecht. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Tubantia Wim Goorhuis 16-05-19 Hel van Twente met 'de wind vol op de kop'