doorgaan

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • door·gaan
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorgaan
ging door
doorgegaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

dóórgaan

  1. inergatief ~ met: niet stoppen, blijven
    • Het is altijd nog mogelijk door te gaan. 
    • Hogeschool Saxion is absoluut niet te spreken over het plan voor de herziening van de bekostiging van het hoger onderwijs in Nederland. Dat zegt bestuursvoorzitter Anka Mulder. Als die plannen doorgaan, gaat er jaarlijks 4 miljoen euro minder naar de hogeschool. „Dat kunnen wij niet accepteren, dit voorstel moet van tafel.” [1] 
  2. door winst te behalen verder kunnen gaan.
    • Het land ging door nadat ze twee keer hadden gewonnen. 
  3. plaatsvinden ondanks voorafgaande twijfel
    • De voetbalwedstrijd gaat ondanks het slechte weer toch door. 
  4. (België) plaatsvinden
    • De opening gaat door op 27 juli. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • Onder het juk moeten doorgaan
zich aan andermans macht moeten onderwerpen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorgaan
doorging
doorgaan
klasse 7 volledig

Werkwoord

doorgáán

  1. overgankelijk doorstaan, zien vol te houden.
    • Hij moest de operatie doorgáán zonder verdoving. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van doorgaan: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van: doorgaan
verbogen vorm: doorgane

doorgaan

  1. voltooid deelwoord van doorgaan

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen