doorjagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·ja·gen
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

doorjagen

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorjagen
jaagde door
joeg door
doorgejaagd
klasse 6

zwak -d

volledig
  1. heel snel iets verbruiken
    • Ik vrees dat hij al zijn geld er doorgejaagd heeft. 
  2. met (te) grote haast iets afwerken
    • Ze wil af van het „rendementsdenken” als dat inhoudt dat de universiteit een leerfabriek is waar je zoveel mogelijk studenten zo snel mogelijk doorjaagt en van een diploma voorziet.[1] 
  3. doorgaan met jagen en haasten
    • In de haar kenmerkende stijl, met aandoenlijke en expressieve stokpoppetjes in collagevorm, schetst Hartjes een situatie die al te herkenbaar is: een overvolle agenda, een hoofd dat overloopt en vooral doorjagen.[2] 
    • Kadioglu zorgde vlak voor rust weer voor lachende gezichten bij NEC door voor de 2-1 te zorgen, een paar minuten na de rust kopte Jari Schuurman de 3-1 binnen. Achahbar zorgde na een uur spelen met een intikker voor de 4-1 en direct na de aftrap, na goed doorjagen, voor de 5-1 en zijn hattrick.[3] 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen