doorlopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorlopen
liep door
doorgelopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
dóórlopen [1]

  1. lopen tot men ergens doorheen is.
    • Ik liep door de tunnel tot ik aan het andere einde was gekomen. 
  2. voortgaan met lopen
    • wij moesten hard doorlopen om de trein te kunnen halen. 
    • De rest van de nacht was Kleine Woord doorgelopen zonder zich ook maar een enkel ogenblik moe te voelen of zelfs te rusten. [2] 
  3. vermengd geraakt
    • Na het wassen op een te warme temperatuur waren de kleuren doorgelopen. 
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorlopen
doorliep
doorlopen
klasse 7 volledig

Werkwoord

(niet scheidbaar)
doorlópen [3]

  1. een cursus of opleiding voltooien.
    • Nadat ik de opleiding had doorlopen kon ik voor de nieuwe baan solliciteren. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

doorlopen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord doorloop
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van doorlopen: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van
doorlopen

doorlopen

  1. voltooid deelwoord van doorlopen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen