doortrekken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • door·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doortrekken
trok door
doorgetrokken
klasse 3 volledig
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doortrekken
doortrok
doortrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
dóórtrekken

  1. overgankelijk een lijn verlengen.
    • Deze weg is nu doorgetrokken tot over de grens. 
  2. ergatief zich door een gebied heen begeven.
    • We zijn de gehele Sahara doorgetrokken. 
  3. overgankelijk de inhoud van de stortbak van een toilet ledigen.
    • Ik wilde doortrekken maar de stortbak werkt niet goed. 

(niet scheidbaar)
doortrékken

  1. overgankelijk door een materiaal heen diffunderen.
    • Dat hele tapijt is doortrokken met die geur. 
Vertalingen

dóórtrekken

doortrèkken

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.