doorkomen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·ko·men
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorkomen
kwam door
doorgekomen
klasse 4 volledig

Werkwoord

doorkomen

  1. zichtbaar worden
    • De verstandskies kwam door. 
  2. door iets heen gaan, iets tot een einde kunnen brengen
    • Het was enorm druk op de weg, er was geen doorkomen aan. 
    • Fit de winter doorkomen is een hele opgaaf voor oudere mensen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.