doorrijden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·rij·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorrijden
reed door
doorgereden
klasse 1 volledig

Werkwoord

doorrijden

  1. ergatief voortgaan met rijden; niet stoppen
    • De automobilist was na de aanrijding doorgereden, maar werd door de politie achterhaald. 
  2. sneller rijden
    • Jan, rijd alsjeblieft een beetje door 
  3. door een voorwerp heen rijden
    • De zware vrachtwagen reed met veel te hoge snelheid door de vangrails heen. 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.