doorprikken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·prik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorprikken


prikte door


doorgeprikt


zwak -t volledig

Werkwoord

doorprikken

  1. (overgankelijk) met een speld of naald doorboren
    Hij had de ballon doorgeprikt.