doorlaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·laat
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord doorlaat doorlaten
verkleinwoord doorlaatje doorlaatjes

Zelfstandig naamwoord

doorlaat m

  1. een plek waar iets doorgelaten wordt
    • Ik denk dat de doorlaat verstopt zit. 
Afgeleide begrippen

Werkwoord

vervoeging van
doorlaten

doorlaat

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorlaten
    • ... dat ik doorlaat. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorlaten
    • ... dat jij doorlaat. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van doorlaten
    • ... dat hij doorlaat. 

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
90 % van de Vlamingen.