outdoor

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • out·door
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen outdoor
verbogen
partitief outdoors

Bijvoeglijk naamwoord

outdoor

  1. buiten de deur, buitenshuis, buiten
    • Wandelen of fietsen heet tegenwoordig een outdoor activiteit. 
Opmerkingen
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen