doorzien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • door·zien
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorzien
zag door
doorgezien
klasse 5

onregelmatig

volledig [dóórzien]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorzien
doorzag
doorzien
klasse 5

onregelmatig

volledig doorzíén

Werkwoord

dóórzien

  1. overgankelijkvluchtig iets lezen, doornemen
    • Zij hadden het voorstel maar eventjes doorgezien. 

doorzíén

  1. overgankelijk inzien dat iets een poging tot bedrog is, doorgronden
    • Hij doorzag het aanlokkelijke aanbod en realiseerde zich dat het afzetterij was. 
Synoniemen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • vervoeging van doorzien: de stam met de uitgang -en, zonder ge- vanwege voorvoegsel (is gelijk aan de onbepaalde wijs)

Werkwoord

vervoeging van: doorzien…
verbogen vorm: doorziene

doorzien

  1. voltooid deelwoord van doorzien

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be