doorbreken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • door·bre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorbreken
brak door
doorgebroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

dóórbreken

  1. ergatief breken zodat er een doorgang ontstaat.
    • Er werd gezegd dat de 163ste Infanteriedivisie uit alle macht zou proberen vanaf de andere kant van de Maas door te breken. [1] 
    • Die dijk staat op doorbreken. 
Vertalingen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorbreken
doorbrak
doorbroken
klasse 4 volledig

Werkwoord

doorbréken

  1. overgankelijk, (figuurlijk) een einde aan een heersende situatie maken.
    • Zijn nuchtere opmerking doorbrak het eindeloos gekibbel. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Lemaitre, Pierre Tot ziens daarboven 2014 ISBN 9789401601931 pagina 11