doorspoelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak

(klemtoonhomogram)

Woordafbreking
  • door·spoe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorspoelen
spoelde door
doorgespoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

dóórspoelen

  1. overgankelijk een vloeistof door iets heen laten stromen, gewoonlijk ter zuivering
    • Ik zal wel even flink doorspoelen. 
  2. inergatief doorgaan met spoelen
    • Spoel nog maar een tijdje door! 
  3. overgankelijk een band versneld van de ene spoel op de andere rollen
    • Ik heb dat stuk van de opname doorgespoeld, want daar is niet naar te luisteren. 
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorspoelen
doorspoelde
doorspoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

doorspóélen

  1. overgankelijk geheel doorgéven
    • De heerlijke geuren doorspoelden de gehele zaal. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.