doorvertellen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·ver·tel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorvertellen
vertelde door
doorverteld
zwak -d volledig

Werkwoord

doorvertellen

  1. overgankelijk iets wat men heeft horen vertelen aan een derde persoon vertellen
    • Hij had het verhaal met opzet niet doorverteld, omdat hij vreesde dat het hele dorp ervan zou gonzen. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.