doorkruisen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·krui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorkruisen
doorkruiste
doorkruist
zwak -t volledig

Werkwoord

doorkruisen

  1. (overgankelijk) geheel door een bepaald gebied heenreizen
    Zij doorkruisten de Sahara op hun kamelen.
  2. (overgankelijk) (politiek) op een wijze handelen die geheel in strijd is met een bepaald beleid
    De lidstaten doorkruisten daarmee het Europese beleid op dat gebied.