doorkruisen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • door·krui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
doorkruisen
doorkruiste
doorkruist
zwak -t volledig

Werkwoord

doorkruisen

  1. overgankelijk geheel door een bepaald gebied heenreizen
    • Zij doorkruisten de Sahara op hun kamelen. 
  2. overgankelijk (politiek) op een wijze handelen die geheel in strijd is met een bepaald beleid en daardoor dit beleid te niet doet
    • De lidstaten doorkruisten daarmee het Europese beleid op het gebied van de begrotingsdiscipline. 
  3. door iets heen gaan
    • Je mag een begrafenisstoet niet doorkruisen. 


Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.