bouw

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bouw m

  1. het doen verrijzen van huizen, bruggen enz.
    De bouw van de piramiden heeft ongetwijfeld veel voeten in de aarde gehad.
  2. het bouwbedrijf
    Hij is in de bouw gaan werken.
  3. het bouwterrein
    Het is ten strengste verboden op de bouw zonder helm aanwezig te zijn.
  4. de wijze waarop iets gebouwd is, bouwwijze
    Deze kerk heeft een schitterende bouw.
  5. de aanbouw, het telen (van gewassen)
  6. explotatie
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
bouwen

bouw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bouwen
    Ik bouw.
  2. gebiedende wijs van bouwen
    Bouw!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bouwen
    Bouw je?