bouwplek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bouwplek dubbellaags tunnel A2 Maastricht
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·plek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwplek bouwplekken
verkleinwoord bouwplekje bouwplekjes

Zelfstandig naamwoord

bouwplek v/m

  1. een plaats waar men bouwt
    • Het is eerder misgegaan op de Haagse bouwplek waar donderdag een dodelijk ongeluk plaatsvond. Vorig jaar is er al een klacht gekomen over een steigeronderdeel dat naast een voetganger belandde.[1] 
    • Ook worden scholieren uitgenodigd op de bouwplek die deel uitmaakt van de verbreding van de verbinding van het snelwegennet Schiphol-Amsterdam-Almere. Postma: ,,Door een kijkje in de keuken te geven, hopen wij ze enthousiast te maken om te kiezen voor een technische opleiding en beroep.”[2] 
Synoniemen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. de Telegraaf JORN JONKER 27 mei 2016 in BINNENLAND
  2. de Telegraaf GIJSBERT TERMAAT 05 mrt. 2016
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be