bouwvolume
Uiterlijk
- Geluid: bouwvolume (hulp, bestand)
- IPA: / 'bɔuvolymə / (5 lettergrepen)
- bouw·vo·lu·me
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | bouwvolume | bouwvolumen bouwvolumes |
| verkleinwoord |
het bouwvolume o
- (bouwkunde) (economie) totale omzet van de bouwsector
- ▸ Het bouwvolume van woningen en kantoren was in het eerste kwartaal van dit jaar 12,5 procent hoger dan een jaar eerder. De grond-, water- en wegenbouw steeg met 10,5 procent. Bijna vier op de tien bedrijven verwachten in de komende maanden een verdere stijging van hun omzet en slechts een op de tien verwacht een omzetdaling.[2]
- Het woord bouwvolume staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑
Weblink bron “Steeds moeilijker om bouwpersoneel te vinden” (Donderdag 4 juli 2019, 06:01), NOS
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 10
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 5 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Economie in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal