bouwkeet

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bouwkeet
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·keet
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwkeet bouwketen
verkleinwoord bouwkeetje bouwkeetjes

Zelfstandig naamwoord

bouwkeet v/m

  1. tijdelijke en verplaatsbare huisvesting voor bouwvakkers op de bouwplaats
    • In Amsterdam raakten twee brandweermannen door vuurwerk gewond aan hun gezicht terwijl ze een brandende scooter aan het blussen waren. In het Drentse Elim greep de ME in omdat een groep van zestig tot zeventig jongeren de brandweer en de politie bekogelden met vuurwerk. De brandweer was uitgerukt om een brandende bouwkeet de blussen.[1] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
79 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. NRC Bastiaan Nagtegaal 1 januari 2017