ruwbouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ruw·bouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord ruwbouw -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

ruwbouw m

  1. (bouwkunde) het opbouwen van een bouwwerk, voordat installaties en afwerking worden aangebracht
  2. (bouwkunde) bouwwerk waarvan de constructie staat, maar dat nog afgewerkt moet worden
Synoniemen

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen