bouwjaar

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·jaar
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwjaar bouwjaren
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

bouwjaar o [1]

  1. jaar waarin iets vervaardigd is

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen