bouwplaats

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

bouwplaats Groningen
Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·plaats
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwplaats bouwplaatsen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bouwplaats v/m [1]

  1. (bouwkunde) een plaats waar mensen iets bouwen
    • In China zijn ten minste 67 mensen omgekomen op de bouwplaats van een energiecentrale toen een bouwsteiger instortte. Het ongeluk gebeurde donderdag in Fengcheng, in de oostelijke provincie Jiangxi. Vijf bouwvakkers zijn opgenomen in het ziekenhuis, een persoon is nog vermist. [2] 
    • Twee jaar geleden liep Dirk (roepnaam: Dik) Wessels zelf rond op een bouwplaats in Ede, bij de oplevering van een prefab-huis van zijn bouwbedrijf VolkerWessels.[3] 
Synoniemen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. NRC Bas Tooms 24 november 2016
  3. Tubantia 21 november 2017