bouwwerf

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·werf
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwwerf bouwwerven
verkleinwoord bouwwerfje bouwwerfjes

Zelfstandig naamwoord

bouwwerf m/v

  1. terrein met een gebouw in aanbouw
Synoniemen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.