nieuwbouw

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • nieuw·bouw
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord nieuwbouw
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

nieuwbouw m

  1. de bouw van huizen en andere gebouwen.
    • Er wordt nieuwbouw gepleegd. 
  2. een pas gebouwde wijk.
    • De nieuwbouw werd vorig jaar opgeleverd. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie