bouwteam

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bouw·team
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bouwteam bouwteams
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

bouwteam o

  1. een projectgebonden samenwerkingsverband tussen een opdrachtgever en één deskundige of meerdere deskundigen die, in gecoördineerd verband, samenwerken aan het ontwerp, de engineering van het ontwerp en de bouw
    • Inmiddels is er een bouwteam in oprichting. Daarin krijgen vertegenwoordigers van Markelose aannemers, een afvaardiging van de dorpsraad, de architect en constructeur zitting. „We willen Markelose (bouw)ondernemers oproepen om zich bij ons te melden als zij wat kunnen betekenen bij de aanleg van het plein”, zegt Vasters. [1] 
    • Eind juni moet de 'carnahal' van de carnavalsverenigingen De Melbuulkes, De Toet’nbloazers, De Kolkleu en de Stichting Borns Carnaval (SBC) er staan. Ze gaan er gezamenlijk voor zorgen dat er voor de komende dertig jaar onderdak geboden kan worden aan de bouwers van de praalwagens van het Bornse carnaval. „Vorige week stemden ook de leden van De Melbuulkes als laatste van de verenigingen in met de plannen, en dus hebben we groen licht”, vertelt Herman Ellenbroek, bestuurslid van De Toet’nbloazers en lid van het bouwteam. „Afgelopen maandag hebben we met het bouwteam om de tafel gezeten en hebben we afgesproken hoe we het geld bij elkaar gaan krijgen.” [2] 
    • Bouwondernemer Koopmans is samen met zijn bouwteam van ongeveer 120 man in september van het vorige jaar begonnen aan de klus, waarvan het eerste deel over ongeveer drie maanden wordt opgeleverd. [3] 

Gangbaarheid

Meer informatie

Verwijzingen