herbouw
Uiterlijk
- her·bouw
- zn: naamwoord van handeling van herbouwen ww (zonder -en)
- zn: afleiding van bouw met het voorvoegsel her-
- ww: herbouwen ww zonder de uitgang -en
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | herbouw | - |
| verkleinwoord | - | - |
de hérbouw m
- geen meervoud activiteit waardoor iets opnieuw tot stand komt
- De herbouw van de brug is nog steeds niet voltooid.
| vervoeging van |
|---|
| herbouwen |
herbóúw
- Het woord herbouw staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "herbouw" herkend door:
| 97 % | van de Nederlanders; |
| 89 % | van de Vlamingen.[1] |
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 7
- Klemtoonhomogram in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 2 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Voorvoegsel her- in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Betekenis zonder meervoud in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 97 %
- Prevalentie Vlaanderen 89 %