bovenkant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bo·ven·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord bovenkant bovenkanten
verkleinwoord bovenkantje bovenkantjes

Zelfstandig naamwoord

bovenkant m

  1. de zijde van een ruimtelijk figuur dat naar boven wijst, hier tegenover ligt de onderkant die naar beneden wijst
  2. het rijkste, hoogste, beste, snelste deel van een geheel
    Onder de toenmalige nieuwe baas maakten we de strategische keuze ons meer op de bovenkant van de markt te richten. De mensen die hier weg gingen, waren hard nodig in New York, waar de prijzen voor naoorlogse beeldende kunst omhoog schoten. Inmiddels is duidelijk dat de internationale middenmarkt voor het bedrijf onontbeerlijk is.” [1]
Synoniemen
Antoniemen
Verwijzingen
  1. Arjen Ribbens NRC 9 juni 2016