Naar inhoud springen

kanten

Uit WikiWoordenboek
  • kan·ten
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
kanten
kantte
gekant
zwak -t volledig

kanten [3] [4] [5]

  1. zich verzetten tegen
  2. overgankelijk vlak, recht maken
stellend
onverbogen (alleen
attributief)
verbogen

kanten [6]

  1. van kant vervaardigd

dekantenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord kant
     Waakzaam schoten mijn ogen alle kanten op, speurend naar verborgen slangen in het struikgewas.[7]
     Gordijnen wapperen in de wind, mijn moeder heeft kennelijk nogal liggen woelen vannacht want het bed is aan beide kanten beslapen, alsof papa net is vertrokken.[8]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]
  1. kanten op website: Etymologiebank.nl
  2. kanten op website: Etymologiebank.nl
  3. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  7. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  • kan·ten
Naar frequentie 4846

kanten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kant

kanten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kant


  • kan·ten

kanten, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van kant