draad

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • draad
enkelvoud meervoud
naamwoord draad draden
verkleinwoord (draadje) (draadjes)

Zelfstandig naamwoord

draad m

  1. (textielindustrie) in elkaar gesponnen vezels
    De draad van de ophanging was gebroken en daardoor lag het schilderij op de grond.
  2. (taalkunde) de vanzelfsprekende opeenvolging van tekstonderdelen die voor de begrijpelijkheid van een tekst noodzakelijk is
    De draad van het verhaal wordt hier en daar lelijk onderbroken door onbenullige uitweidingen.
  3. (natuurkunde), (elektronica) de meestal geïsoleerd uitgevoerde, betrekkelijk dunne elektrische geleider in verbindingsmateriaal zoals snoeren en kabeltjes
    De verbindingen per draad worden in rap tempo vervangen door draadloze verbindingen: Wi-Fi en bluetooth, dat is pas handig.
  4. (scheepvaart), (verouderd) oude bijnaam voor een radiotelegrafist
    De draad heeft zijn bijnaam te danken aan de oude benaming voor radio: "draadloze verbinding". De telegraaf- en telefoonverbindingen via kabels bestonden al langer.
  5. (techniek), (afkorting) een verkorte uitdrukking voor "schroefdraad"
    Er zit geen draad meer op deze moer, hij is dolgedraaid.
  6. vezel van vlees, hout en andere materialen
Synoniemen
Hyperoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de draad kwijt zijn
niet meer weten hoe het verder moet
  • de draad oppakken
verder gaan met iets
Vertalingen

Meer informatie