dek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dek
enkelvoud meervoud
naamwoord dek dekken
verkleinwoord dekje dekjes

Zelfstandig naamwoord

dek o

  1. laag die of vlak dat iets van boven afsluit:
    • Op de huizen lag een dek van sneeuw wat er heel romantisch uitzag. 
  2. (scheepvaart) een verdieping op een schip, scheepsdek
    • De derde klas passagiers waren verzameld op het laagste dek van het schip. 
  3. deken (voor mens of dier)
    • Ik legde een dek op het bibberende paard. 
  4. laag van haren of veren op de rug van een dier (-> verendek
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dekken

dek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dekken
    • Ik dek. 
  2. gebiedende wijs van dekken
    • Dek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dekken
    • Dek je? 
Afgeleide begrippen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Bretons

Telwoord (bre)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

dek

  1. tien



Esperanto

Telwoord (epo)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

dek

  1. tien