dek

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dek
enkelvoud meervoud
naamwoord dek dekken
verkleinwoord dekje dekjes

Zelfstandig naamwoord

dek o

  1. laag die of vlak dat iets van boven afsluit:
  2. (scheepvaart) een verdieping op een schip, scheepsdek
  3. deken (voor mens of dier)
  4. laag van haren of veren op de rug van een dier (-> verendek
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
dekken

dek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dekken
    Ik dek.
  2. gebiedende wijs van dekken
    Dek!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dekken
    Dek je?


Bretons

Telwoord (bre)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

dek

  1. tien



Esperanto

Telwoord (epo)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

Hoofdtelwoord

dek

  1. tien