richting

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rich·ting
Woordherkomst en -opbouw

Voorzetsel

richting

  1. de kant op van, in de richting van
    Hij ging richting het toilet.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord richting richtingen
verkleinwoord richtinkje richtinkjes

Zelfstandig naamwoord

richting v

  1. de juiste kant
    De richting was niet duidelijk aangegeven.
Afgeleide begrippen
Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /ˈrɪxtɪŋ(g)/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

richting v

  1. richting
Verbuiging