buitenkant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bui·ten·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord buitenkant buitenkanten
verkleinwoord buitenkantje buitenkantjes

Zelfstandig naamwoord

buitenkant m

  1. het uitwendige van iets
    ‘Een jaar geleden hebben mijn vriend en ik een klushuis gekocht. In twee maanden hebben we het woonklaar gemaakt en nu knappen we het in etappes op. De afgelopen winter hadden we lekkage, dus toen waren we daar aardig wat geld aan kwijt. Nu is de buitenkant aan de beurt. We hebben veel gedaan met de hulp van onze vaders, familie en vrienden, maar buiten moet alle verf van de kozijnen en dat is best veel werk, dus dat laten we lekker doen. Al met al ben je steeds grote bedragen kwijt. Zo moest de achterdeur voor 1.195 euro op maat worden gemaakt, wordt dadelijk het balkon vervangen voor 2.200 euro en zijn we voor het schilderwerk aan de buitenkant straks 3.600 euro kwijt.[1]
Synoniemen
Antoniemen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen
  1. Liza Titawano NRC 15 juni 2016