marge

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • mar·ge
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord marge marges
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

marge v/m

  1. (typografie) opengelaten ruimte aan de rand van een bladzijde
    • Er stond een opmerking in de marge. 
  2. (figuurlijk) de speelruimte in een bepaalde situatie
    • Er is niet veel marge in deze zaak. 
  3. (financieel) het winstpercentage van een prijs
    • Een marge van 1% is niet ongewoon voor een supermarkt. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen