overkant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord overkant overkanten
verkleinwoord overkantje overkantjes

Zelfstandig naamwoord

overkant m

  1. de andere zijde van een weg of water
    • Die lui van de overkant zijn niet te vertrouwen. 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.