binnenkant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • bin·nen·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord binnenkant binnenkanten
verkleinwoord binnenkantje binnenkantjes

Zelfstandig naamwoord

binnenkant m

  1. de zijde die in een bepaalde afgeschermde ruimte gelegen is
    • De binnenkant van dit vat is beschermd tegen corrosie met een speciale verflaag. 
    • De binnenkant van de jas ik van bont terwijl de buitenkant waterafstotend is. 
Synoniemen
Antoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.