zoom

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zoom zomen
verkleinwoord zoompje zoompjes

Zelfstandig naamwoord

zoom v/m

  1. buitenrand
  2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
    • Ik moet er nog even een zoom in zetten. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zomen

zoom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
    • Ik zoom. 
  2. gebiedende wijs van zomen
    • Zoom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
    • Zoom je? 

Werkwoord

vervoeging van
zoomen

zoom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
    • Ik zoom. 
  2. gebiedende wijs van zoomen
    • Zoom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
    • Zoom je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen