zoom

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Zoom


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zoom
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zoom zomen
verkleinwoord zoompje zoompjes

Zelfstandig naamwoord

[A] zoom v / m

  1. rand aan de buitenkant
     Aan de zoom van het bos is in het donker nog net een weitje te ontwaren, dat de heuvel afloopt tot de volgende bosrand.[4]
  2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
    • Ik moet er nog even een zoom in zetten. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
zomen

[A] zoom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
    • Ik zoom. 
  2. gebiedende wijs van zomen
    • Zoom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zomen
    • Zoom je? 

Werkwoord

vervoeging van
zoomen

[B] zoom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
    • Ik zoom. 
  2. gebiedende wijs van zoomen
    • Zoom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zoomen
    • Zoom je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen