zoom
Uiterlijk
- zoom
- [A] van Middelnederlands soom, in de betekenis van ‘boord (van weefsel)’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240 [1][2] [3]
- [B] van Engels zoom
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | zoom | zomen |
| verkleinwoord | zoompje | zoompjes |
- rand aan de buitenkant
- tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
1. rand aan de buitenkant
2. tegen uitrafeling beschermende omslag van het uiteinde van een kledingstuk
| vervoeging van |
|---|
| zomen |
[A] zoom
| vervoeging van |
|---|
| zoomen |
[B] zoom
- Het woord zoom staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "zoom" herkend door:
| 99 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[7] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ zoom op website: Etymologiebank.nl
- ↑ "zoom" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- 1 2 3 Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx“Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff
, ISBN 9789021809526 - ↑
Weblink bron Juurd Eijsvoogel“Een beetje Indiaan in Europa; Ton Lemaire tracht in Frankrijk het tegengestelde in zich te verenigen” (23 november 1991) op nrc.nl
- ↑ Ronald Giphart e.a.“Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 99 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %