zeekant

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zee·kant
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord zeekant zeekanten
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

zeekant m

  1. de zijde die naar de zee gericht is
    • Als oplossing voor het afvalwaterprobleem groef men aan de onderkant van de dijk een koker, die aan de zeekant met een scharnierend deksel werd afgesloten. 

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders
93 % van de Vlamingen.