zijde

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • zij·de
Woordherkomst en -opbouw
  • [1] (erfwoord): Middelnederlands side, uit Oudnederlands sīda (Reimbibel), uit Oergermaans *sīdōn- ‘flank, uiteinde’, zoals Duits Seite en Engels side, uitbreiding van het bijvoeglijk naamwoord *sīdaz ‘breed, wijd’ (waaruit zijd in ‘wijd en zijd’), dat terug op Proto-Indo-Europees *sh₁i-tó- gaat.
  • [2] Ontleend aan het Volkslatijnse *sęda, klassiek saeta ‘dierenhaar’.
1. enkelvoud meervoud
naamwoord zijde zijden
zijdes
verkleinwoord
2. enkelvoud meervoud
naamwoord zijde
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

zijde of zij; v/m

  1. grenslijn van een tweedimensionale figuur of het grensvlak van een lichaam [1]
    • De ene zijde is beschreven, de andere is leeg gelaten. 
  2. zeer zachte stof gemaakt van cocons van de zijderups [2]
    • Deze rok is van zijde. 
  3. de personen die gezamenlijk voor iets strijden (letterlijk of figuurlijk)
    • Na een paar jaar had iedereen aan beide zijden het steeds moeilijker zich te herinneren waar die hele oorlog nu eigenlijk om begonnen was 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen