tank

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

[2] tank
Uitspraak
Woordafbreking
  • tank
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘vloeistofreservoir’ voor het eerst aangetroffen in 1889 [1] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tank tanks
verkleinwoord tankje tankjes

Zelfstandig naamwoord

tank v/m

  1. een vrij groot afsluitbaar en meestal metalen vat voor de opslag van vloeistoffen
    • Er zat geen benzine meer in de tank. 
  2. een gepantserd en zwaar bewapend oorlogsvoertuig op rupsbanden
    • De invoering van de tank doorbrak de stagnatie van de loopgravenoorlog. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Anagrammen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
tanken

tank

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
    • Ik tank. 
  2. gebiedende wijs van tanken
    • Tank! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tanken
    • Tank je? 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Noors

Zelfstandig naamwoord

tank

  1. verouderde spelling of vorm van tanks van vóór 2005 (betekenis [B])
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk


Nynorsk

Zelfstandig naamwoord

tank

  1. verouderde spelling of vorm van tanks van vóór 2005 (betekenis [B])
(verouderd) onbepaalde vorm nominatief enkelvoud, mannelijk