gras

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: gräs

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • gras
enkelvoud meervoud
naamwoord gras grassen
verkleinwoord grasje grasjes

Zelfstandig naamwoord

gras o

  1. (plantkunde) plantenfamilie omvattende gras (zie betekenis 2), graan, rijst, bamboe
  2. bepaalde groep van soorten binnen die familie die gebruikt wordt in de tuin, op (sport)velden, in de wei...

Noot: betekenissen die tussen beide liggen zijn ook mogelijk; bijvoorbeeld er bestaan tientallen soorten grassen die in de wei kunnen groeien of in Afrika

Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

gras

  1. gras


Frans

Uitspraak
  enkelvoud meervoud
  mannelijk   gras gras
  vrouwelijk   grasse grasses

Bijvoeglijk naamwoord

gras

  1. vet
Verwante begrippen


Friulisch

Zelfstandig naamwoord

gras

  1. vet