loof

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • loof
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord loof (loveren)
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

loof o

  1. gebladerte
  2. (biologie) weefsel van lagere cryptogamen, waarbij zich geen verdeling in wortel, stengel en blad voordoet
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
loven

loof

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van loven
    • Ik loof. 
  2. gebiedende wijs van loven
    • Loof! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van loven
    • Loof je? 

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
96 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen