groenachtig

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • groen·ach·tig
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen groenachtig groenachtiger groenachtigst
verbogen groenachtige groenachtigere groenachtigste
partitief groenachtigs groenachtigers -

Bijvoeglijk naamwoord

groenachtig

  1. kleur gelijkend op groen hebbend
    • De man noemde het groenachtig terwijl zijn kleurgevoelige vrouw het toch echt meer bruinachtig vond. 

Gangbaarheid