groenen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Woordafbreking
  • groe·nen
Uitspraak
Woordafbreking
  • groe·nen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
groenen
groende
gegroend
zwak -d volledig

Werkwoord

groenen

  1. ergatief groen worden
    • De linkeroever is al gegroend. De rechter zal snel volgen. 
Vertalingen

Zelfstandig naamwoord

groenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord groen

groenen mv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord groene
    • Zullen de groenen gaan winnen of de blauwen? 

Gangbaarheid

86 % van de Nederlanders;
87 % van de Vlamingen.

Meer informatie